STAMBOOM VINK


Print Voeg bladwijzer toe

Aantekeningen


Stamboom:  

Treffers 1 t/m 50 van 11,765

      1 2 3 4 5 ... 236» Volgende»

 #   Aantekeningen   Verbonden met 
1
04-mei-1661
Aktesoort:
testament
Aktenummer:
194
Bladzijden:
613 t/m 616
Notaris:
Jacobus Delphius
Standplaats:
Rotterdam
Akteplaats:
Rotterdam
Inhoud:
Marinus Cornelisz Jongbroer, backer, en zijn vrouw Ermptgen Leendersdr, wonende tegenover het Admiraliteytshuis alhier, benoemen elkaar tot erfgenaam. Voor de familie is een legaat van 12 gulden.
Ermptgen Leendersdr tekent als Ermtge Leendertsdr de Harde. 
Jongbroer, Marinus Cornelis (I17960)
 
2
Bij KB van 24 februari 1910 nr. 34 is aan het in deze akte genoemde kind toegestaan om bij zijn geslachtsnaam de naam Fievez de Malines te voegen met dien gevolge dat hij voortaan de geslachtsnaam Fieves de Malines van Ginkel zal dragen. 
VAN GINKEL, Henri Fievez de Malines (I16132)
 
3 Alexandra Fjodorovna van Pruisen, Charlotte (I22386)
 
4 Borrel van Carcassone van Osona, Borrell (I21120)
 
5




Gedicht Willem IX van Aquitanië

Ab la dolchor del temps novel
foillo li bosc, e li aucel
chanton chascus en lor lati
segon lo vers del novel chan;
adonc esta ben c'om s'aisi
d'acho don hom a plus tal an.

De lai don plus m'es bon e bel
non vei mesager ni sagel,
per que mos cors non dorm ni ri,
ni no m'aus traire adenan,
tro qu'ieu sacha ben de fi
s'el' es aissi com eu deman.

La nostr' amor vai enaissi
com la branca de l'albespi
qu'esta sobre l'arbre tremblan,
la nuoit, a la ploja ez al gel,
tro l'endeman, que·l sols s'espan
per las fueillas verz e·l ramel.

Enquer me membra d'un mati
que nos fezem de guerra fi,
e que·m donet un don tan gran,
sa drudari' e son anel:
enquer me lais Dieus viure tan
c'aja mas manz soz so mantel!

Qu'ieu non ai soing d'estraing lati
que·m parta de mon Bon Vezi,
qu'ieu sai de paraulas com van
ab un breu sermon que s'espel,
que tal se van d'amor gaban,
nos n'avem la pessa e·l coutel.

De inhoud van dit gedicht is ongeveer de volgende:
Dankzij de lente lopen de bomen uit en zingen de vogels hun lied, het is dus alleen maar goed als we ons geluk vinden.
Maar ik krijg geen bericht van de bron van mijn vreugde, ik weet niet wat te doen, ik weet niet of ik wens of vrees.
Onze liefde is als een nieuwe meidoornscheut die met moeite de regen en de vorst doorstaat, maar in de zon tot bloei komt.
Toen we onze strijd staakten, gaf ze me haar ring en sprak van liefde. God geve dat ik mag leven tot mijn handen onder haar mantel zijn geweest!
Vreemde woorden vervreemden een Goede Buur niet. Ik weet dat praatjes de ronde zullen doen. Maar laat anderen maar zeggen dat hun liefde groeit, onze vreugde is groter.
 
van Aquitanië, Willem X (I21030)
 
6



Koning Hendrik IV, met toestemming van zijn vrouw Bertha en in aanwezigheid van de aartsbisschoppen Hiltolf van Keulen en Lifmar van Hamburg, alsmede de bisschoppen Rubert van Bamberg, Ebbo van Naumburg en Wilhelm van Utrecht, in overeenstemming met het verzoek van zijn kapelaan Koenraad, de proost van die kerk, verleent de baljuwschappen over Harne (Walhoren), Loncius (Lontzen) en Mandrevelt (Manderfeld) samen met alle toebehoren, op voorwaarde dat de vrije vergeving van deze baljuwschappen altijd aan de proost verschuldigd zou zijn. Anno domini incarnationis Millesimo LXXVIXI Kal. Maii. Gegevens over de ordinationis domni Heinrici quarti regis XXII regni vero XX. Actum Aquisgrani in nomine nostri christi amen.
1076 21 april 
van Duitsland, Hendrik IV (I21320)
 
7



Transport Gerard Bijlandt subst. Schout en che 269Secretaris deses geregts heeft procuratie van de erfgenamen van AF/JvC/JvSb
Jan Adriaensen Ottelander
Stoffeltje Ariens in leven egtelieden. Acte gepasseerd te Jaarsveld voor den heere Drossaert
Vier mergen en een hont Lant met de Steege voor op de polder Zevenhoeven
streckende van de halve Sevenhoevense Weteringh aff oostwaerts tot op de
Meentkaede en van daar met de steege tot op den Zoudendijk daar noordw.
Helmich van der Pijll en suijtw. den heere predicant Prato
Cornelis Danielse Rietvelt wonende aan de Zoudendijk onder Meerkerk 03-05-1726 750 Gld.
(Rechterlijke Akten Ameide)

3-5-1736: Andreas Jacobus de Prato, emeritus predikant van Stolwijk, wonende te Rijswijk,
na overdracht door meester Adriaan de Bije, raad en schepen van Delft, namens Agatha de
Bije, gehuwd met meester Lodewijk Lodewijksz. van Dam, volgens procuratie d.d. 2-4-1736
verleden voor notaris Hendrik Isacqkreet te Leyden (L.H. 172, cap. N.H., fol. 62)

28-9-1753: Andreas Jacobus de Prato, emeritus predikant, krijgt het leen samen met 1½
morgen land, leenroerig aan de abdij van Egmond, ten vrij eigen tegen betaling van 250
gulden (L.H. 300, fol. 133v).
REPERTORIUM OP DE LENEN VAN HODENPIJL, 1299-1753
 
De Prato, Andreas Jacobus (I16019)
 
8


Ermesinde, comtesse de Bar et de Luxembourg, ratifie et confirme le traité de paix conclu entre Thibaut, son mari, d'une part, Baudouin IX, comte de Flandre et de Hainaut, et Philippe Ier, comte de Namur, d'autre part. Hastière (église), novembre 1200. 
van Constantinopel (Vlaanderen), Boudewijn IX (I13379)
 
9


Hendrik (overleden op 28 augustus 886) was de belangrijkste militaire bevelhebber van de laatste jaren van het Karolingische Rijk. Hij was opperbevelhebber onder de koningen Lodewijk de Jonge en Karel de Dikke. Zijn vroege carrière beperkte zich meestal tot Oost-Francië, zijn thuisland, maar nadat Karel west-Francië erfde in 884 werd hij er steeds actiever. Tijdens zijn tijd piekten de invallen van de Vikingen (voornamelijk Denen) in Frankrijk. De bronnen beschrijven ten minste acht afzonderlijke campagnes van Hendrik tegen de Vikingen, waarvan de meeste succesvol waren.

Hendrik wordt in de bronnen beschreven als een Saksische, Frankische of Thüringer. Zijn titel wordt afwisselend gegeven als graaf (Latijn komt), markgraaf (marchensis) of hertog (dux). Het gebied dat hij bestuurde wordt in de bronnen op verschillende manieren beschreven als Franië, Neustrië of Austrasië, wat er misschien op wijst dat zijn militaire bevel het grootste deel van het noorden van het rijk bestreek, van de Bretonse Mars in het westen tot Friesland en Saksen in het oosten.

Henry's familie wordt de Popponiden (Duitse Popponen) genoemd omdat de naam Poppo bijzonder gebruikelijk was onder hen. [1] Er wordt gespeculeerd dat hij een zoon was van graaf Poppo van Grapfeld,[2] of misschien van Poppo's zoon, Christiaan I van Grapfeld, en zijn vrouw, Heilwig. [3] Zijn broer was Poppo, hertog van Thüringen. [4] De Popponiden waren waarschijnlijk verwant aan de Hattoniden, en Hendrik kan zijn posities in Saksen (van Banzleib) en in Austrasië (van Banzleibs broer Adalbert) hebben "geërfd". [3]

Hendriks vrouw was mogelijk Ingeltrude, de dochter van Everhard van Friuli: een gedenkboek van de abdij van Reichenau noemt een Hendrik (Heimirich) en een Ingeltrude (Engildrud) naast elkaar. [5]

Henry had drie zonen, die allemaal stierven tijdens de zogenaamde Babenberg-vete met de rivaliserende Conradine-familie:[6][7]

Adalbert (ca. 854 - 9 september 906), gevangengenomen en geëxecuteerd
Adalhard (overleden in 903), gevangengenomen en geëxecuteerd
Hendrik (overleden in 902), gesneuveld in de strijd
Widukind van Corvey noemt Adalbert een "naast familielid via zijn zus" van koning Hendrik I van Duitsland, wat Emil Kimpen tot de conclusie bracht dat de moeder van Hendrik I, Hathui (Hedwig, Hadewig), de zus van Adalbert en de dochter van hertog Hendrik was. Deze suggestie is algemeen aanvaard, niet in de laatste plaats omdat het de adoptie van de naam Henry door de familie van Hendrik I, de Liudolfings, verklaart. [1] In dit geval is het via hertog Hendrik dat de naam uiteindelijk in de Oost-Frankische (Duitse) en West-Frankische (Franse) koninklijke families, de Ottonen en Capetianen terechtkwam. Hathui huwde met hertog Otto van Saksen. Hun zoon, Hendrik I, had een dochter, Hedwig, vernoemd naar haar grootmoeder, die trouwde met Hugo de Grote en de moeder werd van Hendrik I, hertog van Bourgondië, en overgrootmoeder van koning Hendrik I van Frankrijk. [8][7]

Het huis Babenberg, dat van 976 tot 1246 de Mars van Oostenrijk bestuurde, wordt algemeen beschouwd als afstammend van de Popponiden, mogelijk via een naamloze dochter van Hendrik. De namen van de kinderen - Henry, Ernest, Poppo, Adalbert en Leopold - van de eerst bekende Babenberger, markgraaf Leopold I, wijzen sterk op een link met Henry. [9]

Leven
Hendrik wordt door Abbo Cernuus in zijn Bella Parisiacae urbis beschreven als een Saksisch. Het is waarschijnlijker dat hij een Thüringer was. [10]

Regering van Lodewijk de Jonge
Hendrik wordt door de Annalen van Fulda beschreven als de "leider van het leger" (princeps militiae) van Lodewijk de Jongere toen deze in 866 in opstand kwam tegen zijn vader, koning Lodewijk de Duitser. Lodewijk werd in zijn opstand vergezeld door zijn jongere broer, Karel de Dikke. De broers waren mogelijk boos over de toekenning van Beieren aan hun oudere broer, Carloman, als een onderkoninkrijk in 864. Tijdens de korte opstand stuurde Lodewijk Hendrik op een missie naar hertog Rastislav van Moravië. De opstand werd echter al snel opgelapt en Lodewijk kreeg Saksen als subkoninkrijk, terwijl Karel Alemannia kreeg. [11]

In 871 werd een Saksische vazal van Hendrik verblind op bevel van Lodewijk de Duitser, wat Lodewijk de Jongere en Karel ertoe bracht de relaties met hun vader tijdelijk te verbreken uit solidariteit met Hendrik. [12][13] Er is niets bekend over Henry's reactie op dit incident. [14] Er is gesuggereerd dat Lodewijk de Duitser misbruik maakte van de insubordinatie van zijn zonen om Hendrik uit de macht in Saksen te verwijderen en hem te vervangen door hertog Bruno (broer van de eerder genoemde Otto, die waarschijnlijk met Hendriks dochter trouwde). [15]

In 876 stierf Lodewijk de Duitser en werden zijn zonen volledig koning in hun respectievelijke subkoninkrijken. Hendrik bleef in dienst van Lodewijk de Jonge. In 880 werd hij samen met graaf Adalhard van Metz gestuurd om oorlog te voeren tegen graaf Theobald van Arles, de opperbevelhebber van het leger van Hugo van Lotharingen, lodewijks achterneef die van de opvolging was uitgesloten. Volgens de Annalen van Fulda behaalde Hendrik een "bloedige overwinning". Het zegevierende leger voegde zich vervolgens bij de rest van de troepen van Lodewijk de Jonge en marcheerde naar Mâcon, dat ze overnamen van de rebellenleider Boso, die zichzelf koning had gemaakt in Bourgondië en de Provence in tegenstelling tot de Karolingers. [16]

Regering van Karel de Dikke
Lodewijk de Jonge stierf in januari 882 en werd opgevolgd door Karel de Dikke, die zo het Oost-Frankische koninkrijk van Lodewijk de Duitser herenigde. Onder Karel is Henry's carrière een opeenvolging van gevechten met Viking-raiders. Karel stuurde Hendrik vrijwel onmiddellijk met een leger om Asselt te belegeren, waar een leger Vikingen gelegerd was. Volgens de Annalen van Fulda leidden Hendrik en Karels neef Arnulf de voorhoede, waarbij Hendrik de leiding had over het Frankische contingent en Arnulf de Beierse troepen leidde. [17] Karel arriveerde met de hoofdmacht in mei 882. [18]

Na het ontvangen van eden van de Vikingleiders, werd het beleg van Asselt als een succes beschouwd en trok het Frankische leger zich terug. Na zijn kersthof in 882 stuurde de koning Hendrik tegen enkele Vikingen die Deventer hadden overvallen. Volgens de Annalen van Fulda regelde Hendrik 'de zaken zo goed als hij kon en keerde hij terug'. [19] Eind 883 marcheerde Hendrik opnieuw tegen de Vikingen en bracht hen zware verliezen toe. Volgens de Annalen van Fulda wordt "gezegd dat er niet één ontsnapte". Hendrik raakte echter gewond in de gevechten. [20]

In 884 behaalde Hendrik nog twee overwinningen op de Vikingen en slachtte hen af "waar ze maar wilden gaan plunderen", aldus de annalist van Fulda. Enkele Vikingen die West-Francië hadden belaagd, overwinterden vervolgens in de Haspengouw in 884-85. Begin 885 verrasten Hendrik en aartsbisschop Liutbert van Mainz hen in hun kamp. De overlevenden vluchtten 's nachts en lieten hun plundering achter. [21] Hendrik en Liutbert zijn de meest prominente mannen (na de Karolingische koningen) in het laatste deel van de Mainz-versie van de Annalen van Fulda. Dit komt waarschijnlijk omdat de auteur een aanhanger was van Lodewijk de Jongere, aangezien Hendrik en Liutbert lodewijks belangrijkste adviseurs waren geweest. [22]

In 885 werd Godfrid, een van de Vikingleiders in Asselt die de eed aan Karel had gezworen, de doop had genomen en Frisia had ontvangen, beschuldigd van een complot met de neef van de koning Hugo om Lotharingia in te nemen. Henry misleidde hem in een vergadering en doodde hem met zijn volgelingen. [13][7] Volgens de annalen van Saint-Vaast liep een van Godfrids volgelingen, Gerolf, over en beraamde godfrids ondergang met Hendrik. [23] Hendrik nam Hugo gevangen in Gondreville en droeg hem over aan de keizer, die hem verblindde en opsloot in het klooster van Sankt Gallen. [24]

In 885 belegerde een grote Vikingmacht Parijs. De verdediging van de stad viel toe aan bisschop Jocelin en graaf Odo. Volgens de Annalen van Saint-Vaast, nadat de Vikingen een van de torens van Parijs hadden vernietigd, stuurde Joscelin graaf Herkenger van Melun naar Oost-Francië met specifieke instructies om Hendrik te vragen met een leger te komen. [23]

Als gevolg hiervan leidde Hendrik in 886 het eerste leger om het beleg te verlichten. het was in het veld van 9 februari tot 1 mei, maar de enige acties waren schermutselingen met Vikingen die af en toe te ver van hun vestingwerken afdwaalden. In juli leidde Karel zelf een enorm leger richting Parijs. Hendrik werd opnieuw met een voorhoede op pad gestuurd terwijl de keizer nog in Metz was. Het was tijdens deze expeditie dat Henry's paard in een val liep bij Quierzy en hij werd afgesneden van zijn mannen en gedood op 28 augustus. Hetzelfde basisverslag van Hendriks dood is te vinden in de Annalen van Saint-Vaast, de kroniek van Regino van Prüm en de Annalen van Fulda. [25]

Dood, begrafenis en grafschrift
De dood van Hugo en Hendrik in augustus plaatste graaf Odo in een vooraanstaande positie in West-Francië. Hoewel schrijvers die terugkijken hem geneigd waren hem direct op te volgen als opvolger van zijn broer Robert de Sterke, deed hij dat in feite niet. Integendeel, de plotselinge dood van de Hugo en Hendrik, gevolgd door die van keizer Karel minder dan twee jaar later, liet een vacuüm achter in het Westen waarvan Odo kon profiteren om zichzelf in 888 tot koning te laten kiezen. [26]

De Annalen van Fulda lijken de schuld voor Hendriks dood aan te wijzen wanneer ze opnemen dat hij "door zijn mannen in de steek werd gelaten". [25] Regino vermeldt dat Hendrik werd begraven in de abdij van Saint-Médard de Soissons. Een acht-distich grafschrift voor Hendrik werd door een elfde-eeuwse hand toegevoegd aan een kopie van Regino's kroniek. Een kanttekening[b] naast Regino's verslag van Henry's dood leidt de lezer naar het grafschrift, dat aan het einde van het manuscript verschijnt. [27][c]

Titels
In 871 was Hendrik volgens de Annalen van Fulda een graaf (Latijn komt), een titel die de annalist voor hem verkiest tot het einde van zijn leven, zelfs nadat hij een hogere rang had bereikt. Regino van Prüm daarentegen noemt Hendrik meestal een hertog (dux), een titel die militair bevel en de controle over grondgebied impliceert dat veel groter is dan een graafschap. [12][13] Onder het jaar 885 noemen de Annalen van Sint Vaast Hendrik de hertog van de Austrasiërs (dux Austrasiorum). [23]

De Annalen van Fulda beschrijven Hendrik in 886 als "de markgraaf van de Franken, die in die tijd Neustrië bezat" (marchensis Francorum, qui in id tempus Niustriam tenuit). [29] Dit is geïnterpreteerd als "een algemene militaire verantwoordelijkheid die Neustrië omvatte". [26] Karl Ferdinand Werner gaat verder en zegt dat "in alle Frankische koninkrijken die op de juiste manier worden genoemd", dat wil zeggen in Austrasië, Neustrië en Franken, "Karel alle bevoegdheden aan zijn opperbevelhebber Hendrik gaf." [8]

Aan de andere kant ziet Donald Jackman Henry's laatste bevel als beperkt tot Neustrië zelf, waar hij Hugo de Abt opvolgde na diens dood op 12 mei 886. [15] Volgens het grafschrift van Hendrik was hij "triarch" (triarchos) van de Saksen, Franken en Friezen, wat kan betekenen dat hij tegelijkertijd of achter elkaar over hen regeerde. De heerschappij over Friesland duidde mogelijk in feite op een mars in westelijk Saksen grenzend aan Friesland. [3] Jackman geeft de voorkeur aan drie opeenvolgende marscommando's voor hertog Hendrik, terwijl Matthias Becher suggereert dat triarchos een verbastering is van trimarchio (drievoudig markgraaf) onder invloed van demarchus (volksheerser) en aangeeft dat Hendrik meerdere marsen tegelijkertijd verwierf. Het lijdt geen twijfel dat Hendrik in de regering van Karel de Dikke de tweede was na de koning aan de macht.  
van Babenberg (der Franken), Hendrik (I19715)
 
10


Koning Otto I geeft verlof om munt te Trecht te slaan en schenkt de daaruit spruitende voordeelen aan de Utrechtsche kerk 936 
De Grote, Otto I (I19334)
 
11

Akte, waarbij graaf Gerard van Gelre en zijn echtgenote Margaretha met hun zoon Otto de kerk van de H. Maria op hun predium te Roermond gebouwd, met 43 daar omheen liggende area's afstaan ten behoeve van het Cistercienserklooster, waarvan hun moeder Richardis abdis is. Zij schenken bovendien een aantal rechten en goederen aan dit klooster, 1224

Richardis, abdis in Roermond, verklaaret dat Theodericus, edelman ["nobilis vir"] van Altena, het recht ["proprietas"], dat hij heeft op de hof ["curtis"] Host (Heugten onder Maarheze), welke hof ["curtis"] Reinarth van Hese van hem in leen hield met alle aanhorigheden in akkers, bossen etc., aan de kloosterkerk te Roermond en haar monialen, die daarin God dienen, heeft gegeven om eeuwig te bezitten. Aangezien haar orde vrijgesteld is van het betalen van de kleine tienden en van de novale tienden zal het genoemde klooster ieder jaar aan de kapel in Marnesen"(Maarheze) één vierdonc ["ferto"" ] betalen.
Getuigen waren: Th., abt van Berne, gerardus, graaf van Gelre, Theodericus, graaf van Kleef en Florens, graaf van Holland en genoemde Th(eodericus) van Altena, Godescalcus, proost, Arwiscardus en Wolterus en Henricus van Borch en vele andere betrouwbare en vrome lieden

19 1224 juni 16
"Datum Traiecti anno dominice incarnationis millesimo ducentesimo vicesimo quarto sexto decimo Kalendas Julii"

Gerard, graaf van Gelre, verklaart, dat hij liever wilde, dat zijn moeder Richadis, die buiten het land in de Cisterciënser orde wilde treden, in eigen land in die orde ging leven, en hij en zijn echtgenote Margaretha, samen met hun zoon Otto, derhalve Richardis met broeders en monialen van de Cisterciënser orde met ere in hun stad Roermond hebben binnengeleid en de kloosterkerk [ëcclesia"] van de H. Maria, aldaar op hun landgoed ["predium"] gebouwd, met veertig er omheen liggende percelen ["areae"] en drie percelen, die een zekere Hermannus, met de Gans"genaamd, er bij heeft gevoegd, tot redding van hun zielen en die van hun ouders en voorouders aan God en de H. Maria hebben opgedragen, die goederen overdragend aan Richardis in dat klooster abdis en het convent om ten eeuwigen dage te bezitten. Daarenboven het patronaatsrecht van de kerken te Gelre, nl. Nieuwkerk en Aldekerk (Kr. Geldern, Rhl.), met de gehele tienden en bossen en andere aanhorigheden; eveneens het patronaatsrecht van de kerk te Wettene (Wetten, kr.Geldern Rhl.) en van die te Rhode (Venray) met dezelfde aanhorigheden.Hij beslist, dat de tienden van deze kerken moeten blijven zoals zij nu zijn en de bossen zonder zijn toestemming niet gerooid noch ontgonnen mogen worden, en aan de genoemde kerken broeders van genoemd klooster als vicarii benoemd moeten worden. Bovendien schenkt hij een mark voor het licht in de kerk uit de gruit jaarlijks te betalen, en zoveel gruit als het klooster nodig heeft voor bier, bovendien vier solidi uit een half tijnsgoed ["mansus"] in Hamme (Herten). Verder een molen te Rura (Roer-Herten) en het vierde gedeelte van een morgen bij de hof ["curia"] Muckenbruke (Muggenbroek-Roermond).


24 1225 februari 17
"Anno MCCXXV opten seventhienden dach der maent februarii"

Johannes van Moers, prior, Henrick Toetzen, rentmeester, en heer Peter, kapelaan van de kant van Richardis, abdis in Roermond, en Engelbert Snellen, rentmeester van de heer van Altena, en Jan Borckelman en Heynen Uutenbroick, laten van de hof van Hoighten (Heugten) geven de volgende aanschrijving van de grenzen van de hof van Heugten: eerst aangrenzend aan de Toym boven de hoeve, beneden de "leymkuylen", zo de weg op tot een "roede placken"boven het Bieskensven tot in Kemerken, hetwelk recht tegen Kenmerken's ven ligt tot halfweg het Latbroek en Maris (Maarheeze). Van daar op Eyckerbroek tot in de Aa, de Aa op tot aan de Heugter molen. Van de molen tot de moleneik langs het broek tot aan de kruiseik, waar drie landsheren aan plegen te palen. Van daar langs het broek naast de hoeve tot aan de Toym

Otto, graaf van Gelre, verklaart het klooster van de H. Maagd te Roermond te stichten en met goederen te begiftigen, hiertoe aangespoord door Richardis, abdis te Roermond, en zijn overige verwanten ["amici"] en gesteund door het advies van zijn raden [ "consiliarii"]
Getuigen waren: Henricus van de Berg [ "de Monte"], Fridericus van Ridene, Gozwinus van Stralen, Gerhardus, drost [ "dapifer"], Hugo, priester [ "sacerdos"]

31 1230 januari 2
"Datum Leodii anno Dominice incarnationis MCCXXIX quarto Nonas Januarii"

Johannes, bisschop van Luik, verklaart, dat Aleydis, dochter van wijlen Baldewinus van Altena, weduwe van Johannes van Potthe en echtgenote van Henricus van Arkentele, verkocht heeft aan Richardis, abdis, en het convent van het klooster van de H. Maria in Roermond een vrij goed ["allodium"], waarvan zij de eigendom en het bezit zegt te hebben, nl. vijftien bunder land gelegen in de plaats ["villa"], die Hedele (Heel) wordt genoemd, voor de som van vijfendertig Keulse marken, in aanwezigheid en met toestemming van haar echtgenoot. De volle eigendom en het ledig bezit heeft zij overgedragen, zij staat in voor uitwinning, ziet af van de exceptio pecuniae non numeratae et non traditae etc.
Getuigen waren: Theodericus, abt van St. Jacob, Baldewinuss, aartsdiaken, Johannes, deken, Amarricus, oudste cantor ["cantor maior"], Henricus de Beumont, meester Petrus, eerste leraar ["summus ccolasticus"], Johannes van Gorscenis, kanunnik van de Grote Kerk in Luik en vele anderen


10 Maastricht 1224 juni 16 “Traiecti anno Dominicae incarnationis 1224 sexto decimo kalendas julii”
Gerardus, graaf van Gelder, verklaart, dat hij aan Richardis, abdis, en aan het convent te Roermond geschonken heeft de abdijkerk, de veertig daarbij gelegen kavels en de drie kavels die Hermannus met de Gans heeft overgedragen, alsmede het patronaatsrecht van de kerken te Gelren, te weten Nieukerk en Aldekerk, te Wetten en Rode (Venray), een cijns van een mark ten laste van de gruit te Roermond, een cijns ten laste van een halve hoeve te Ham waarop Godefridus de Mirlare, Sibertus de Biersbeke en ene Winandus rechten bezitten, een molen te Roer en een gedeelte van een perceel bij de hof Muggenbroek.
Getuigen: Henricus de Monte, Waltherus de Gelre, Gerhardus de Barsdunck en Henricus zijn broer, Arnoldus de Wachteldunc, Gerardus de Rothem, Theodoricus, voogd te Roermond, en Nicolaus, schrijver.

Otto, graaf van Gelder, verklaart dat hij aan Richardis, abdis, en aan het convent te Roermond de abdijkerk heeft geschonken, de veertig daarbij gelegen kavels en de drie kavels die Hermannus met de Gans heeft overgedragen, alsmede het patronaatsrecht van de kerken te Gelren, te weten Nieukerk en Aldekerk, te Wetten en Rode (Venray), een cijns van een mark ten laste van de gruit te Roermond, een cijns ten laste van een halve hoeve te Herten, waarop Godefridus de Mirlare, Sibertus de Birsbeke en ene Winandus rechten bezitten, een molen te Roer en een gedeelte van een perceel bij de hof Muegenbruke.
Getuigen: Henricus de Monte, Fridericus de Rodene, Goswinus de Stralen, dapifer (drost), en Hugo, priester. 
van Beijeren ( Scheyern-Wittelsbach), Richardis (I13395)
 
12

Gedicht Willem IX van Aquitanië

Ab la dolchor del temps novel
foillo li bosc, e li aucel
chanton chascus en lor lati
segon lo vers del novel chan;
adonc esta ben c'om s'aisi
d'acho don hom a plus tal an.

De lai don plus m'es bon e bel
non vei mesager ni sagel,
per que mos cors non dorm ni ri,
ni no m'aus traire adenan,
tro qu'ieu sacha ben de fi
s'el' es aissi com eu deman.

La nostr' amor vai enaissi
com la branca de l'albespi
qu'esta sobre l'arbre tremblan,
la nuoit, a la ploja ez al gel,
tro l'endeman, que·l sols s'espan
per las fueillas verz e·l ramel.

Enquer me membra d'un mati
que nos fezem de guerra fi,
e que·m donet un don tan gran,
sa drudari' e son anel:
enquer me lais Dieus viure tan
c'aja mas manz soz so mantel!

Qu'ieu non ai soing d'estraing lati
que·m parta de mon Bon Vezi,
qu'ieu sai de paraulas com van
ab un breu sermon que s'espel,
que tal se van d'amor gaban,
nos n'avem la pessa e·l coutel.

De inhoud van dit gedicht is ongeveer de volgende:
Dankzij de lente lopen de bomen uit en zingen de vogels hun lied, het is dus alleen maar goed als we ons geluk vinden.
Maar ik krijg geen bericht van de bron van mijn vreugde, ik weet niet wat te doen, ik weet niet of ik wens of vrees.
Onze liefde is als een nieuwe meidoornscheut die met moeite de regen en de vorst doorstaat, maar in de zon tot bloei komt.
Toen we onze strijd staakten, gaf ze me haar ring en sprak van liefde. God geve dat ik mag leven tot mijn handen onder haar mantel zijn geweest!
Vreemde woorden vervreemden een Goede Buur niet. Ik weet dat praatjes de ronde zullen doen. Maar laat anderen maar zeggen dat hun liefde groeit, onze vreugde is groter.


Een lied van puur niets

Ik maak een
lied uit het
pure niets, Niet van mij en van
niemand spreekt, Geen liefdeslied, niet jeugdig Iets anders.
Ik deed
het in mijn slaap toen ik in het zadel zat.

Weet ik niet
wanneer ik geboren ben, Van troebel of vreugdevol gevoel?
Ik ben geen
vreemde
en niet
van hier, Nog steeds niet gewekt Een fee maakte mijn lot 's nachts.

Of ik nu slaap, weet ik niet.
Nog een geef me les!
Bijna scheurt
mijn hart uit pure doodsangst;
Ik geef niet
om een kerkmuis in Sankt Martial!

Ik beef heet
van de plagen des doods En weet dit alleen van horen zeggen;
Om de dokter te zoeken,
wil ik me
haasten En weet niet waar, De dokter is goed, hij kan me genezen,
Anders blij!

Heb een lieverd,
ken haar niet, Nooit heeft ze mij gezien;
Ze bood
me geen
verlangen of lijden, ik vind het
niet erg, Norman noch Franzos kwamen nooit naar me toe in mijn huis.

Ik ken haar
niet en
hou heel veel
van haar, Niet goed noch slecht deed ze me
nog, ik zie haar
niet: niet dat ik kreun, Er kraait geen haan, Voor een ander, dubbel mooi, Heeft het mij aangedaan.

Een liedje gemaakt,
weet niet op
wie, Best
stuur ik
het nu
naar degene die het opstuurt, zo ver van hier Na de Anjou: Maar stuur me dan snel de tegentoets.

 
van Aquitanië, Willem IX (I21034)
 
13

Graaf Bruno van Dagsburg werd op 21 juni 1002 in Egisheim geboren. Zijn vader Hugo was een volle neef van keizer Koenraad II, lid van de Salische dynastie. Op vijfjarige leeftijd werd Bruno gestuurd naar de bisschoppelijke school van Toul, een stad aan de Moezel in Lotharingen. Na zijn studies werd hij kanunnik van de Sint-Stefanuskathedraal in Toul. Toen zijn achterneef Koenraad in 1024 de nieuwe keizer van het Heilig Roomse Rijk werd, vertrok hij naar het hof in Konstanz, waar hij dienst deed in de keizerlijke kapel. 
van Egisheim-Dagsburg, Bruno (Paus Leo IX) (I22269)
 
14

Hendrik van Zutphen
N.B. Vermeld als graaf van Zutphen 1107-1118, zn. van Otto II de Rijke, graaf van Zutphen en Judith van Arnstein; tr. Mathilde van Beichlingen, dr. van Kuno van Northeim, graaf van Beichlingen en Kunigunde van Weimar-Orlamünde. 
van Zutphen, Otto II (I19434)
 
15

Henri I, graaf van Namen en Luxemburg, die zonder vrouw en zonder kinderen is, investeert zijn zus, Alix, haar echtgenoot, Boudewijn IV, graaf van Henegouwen, en hun zoon, Boudewijn, van alle alleux en alle familiae in het bezit ervan op voorwaarde dat hij er zijn hele leven plezier van heeft. Hij zal deze bezittingen niet meer kunnen aangaan, vervreemden of weggeven. Heppignies  
VAN HENEGOUWEN, Boudewijn IV (I15558)
 
16
Acte, waarbij Sweder van Gaesbeek aan Alewijn van Rijsoord het stuk land, waarover een geschil liep, overdraagt met een nadere bevestiging en omschrijving
Datering: 1380
(Stadsarchief Rotterdam) Archief der hooge Heerlijkheid Albrandswaard 
van Zuijlen van Abcoude, Sweder III (I17802)
 
17
Adelheid van Maurienne (ca. 1092 - Montmartre, 18 november 1154) , ook bekend als Adelheid van Savoye, was door haar huwelijk met Lodewijk VI van Frankrijk koningin van Frankrijk. Ze was een dochter van Humbert II van Savoye en van Gisela van Bourgondië, en een nicht van paus Callixtus II. 
van Maurienne, Adelheid (I19258)
 
18
Alphen, 23-12-1641
Aktedatum:
23-12-1641
Akteplaats:
Alphen
Inhoud:
Cornelis Corsz Cop, getrouwd met Geertgen Cornelisdr, draagt over op Cornelis Hubertsz van Swieten 1 1/2 morgen land in het Rijneveld, belend ten oosten Roel Hubertsz, ten zuiden Jan Thijsz, ten westen Willem Cornelisz Maes, ten noorden Jacob Gijsbertsz Ram. Koopsom 840 gulden.
Toegangsnummer:
112.1.02 Archief van het gerecht van Alphen, 1582-1811
Inventarisnummer:
13
Pagina:
172

Alphen, 22-02-1642
Aktedatum:
22-02-1642
Akteplaats:
Alphen
Inhoud:
Clement van Baersdorp, als rentmeester van de universiteit te Leiden, verkoopt Cornelis Cornelisz Cop, wonende te Alphen, 3 morgen hooiland aldaar, belend ten noorden de weduwe van Reael, ten oosten Barckman, ten zuiden Cornelis Willemsz, ten westen de weduwe van Reael. Koopsom 850 gulden. Met schuldbrief op folio 186.
Toegangsnummer:
112.1.02 Archief van het gerecht van Alphen, 1582-1811
Inventarisnummer:
13
Pagina:
181


Alphen, 08-06-1643
Aktedatum:
08-06-1643
Akteplaats:
Alphen
Inhoud:
Jan Hubertsz van Swieten verkoopt Cornelis Corsz Cop een huis, schuur en berg met 11 morgen 2 hond land, welk land genaast is door zijn broer Roel Hubertsz van Swieten, strekkend van 't huis van Jan Jan Aertsz tot de Toegangskade, belend ten oosten Franck van der Meer van Beerendrecht c.s., ten westen Roel Hubertsz voorn. Koopsom 11830 gulden.
Toegangsnummer:
112.1.02 Archief van het gerecht van Alphen, 1582-1811
Inventarisnummer:
14
Pagina:
25v

Alphen, 12-02-1643
Aktedatum:
12-02-1643
Akteplaats:
Alphen
Inhoud:
Conrard van der Brugge, wonend te Amsterdam, draagt over op Cornelis Corsz Cop 2 morgen 42 roeden land, belend ten oosten Cornelis Willemsz, als bruiker, ten zuiden Cornelis Gijsbertsz Turckenburch, ten westen Cornelis Corsz zelf, ten noorden Willem Dircxsz Leeuwen. Koopsom 1.050 gulden.
Toegangsnummer:
112.1.02 Archief van het gerecht van Alphen, 1582-1811
Inventarisnummer:
14
Pagina:
11


Alphen, 10-05-1658
pagina 134
Aktedatum:
10-05-1658
Akteplaats:
Alphen
Inhoud:
Jan Cornelisz van Leeuwen als stiefvader, mede Jan Cornelisz Ram en Marcelis Leendertsz, als oom en bloedvoogden van de kinderen van Cornelis Corsz Coop (=Cop) en Geertgen Cornelisdr Ram, verkopen Jacob Cornelisz Stupart een huis en erf in 't Zuideinde van Alphen, tussen Hoge Rijndijk en Rijn, belend ten zuiden Arij Mouringhsz van Thol, ten noorden Gerrit Pietersz van der Sluijs. Koopsom 800 gulden.

Alphen, 07-05-1657
Aktedatum:
07-05-1657
Akteplaats:
Alphen
Inhoud:
Jan Cornelisz van Leeuwen, getrouwd met Geertgen Cornelisdr Ram, laatst weduwe van Cornelis Corrsz Cop, mede Marcelis Leendertsz en Jan Cornelisz Ram, ooms over de vier kinderen van Cornelis Corsz Cop en Geertgen Cornelisdr Ram, verkopen Bouwen Cornelisz, wonend in de Nes onder Alphen, 2 morgen land in de Nesse, strekkend van Arij Arijsz en het land van Claes Willemsz tot het land Willem Sijmonsz Boer, belend ten oosten Gerrit Pietersz van der Sluijs, ten westen Pieter Gerritsz Haen. Koopsom 1.000 gulden.
Toegangsnummer:
112.1.02 Archief van het gerecht van Alphen, 1582-1811
Inventarisnummer:
17
Pagina:
84


Alphen, 20-06-1656
Aktedatum:
20-06-1656
Akteplaats:
Alphen
Inhoud:
Geertge Cornelisdr Ram, weduwe van Cornelis Corsz Cop, met Jan Cornelisz van Leeuwen, haar bbruidegom en voogd, ten eenre en Marcelis Leendertsz, als oom en voogd van 's vaderszijde, en Jan Cornelisz Ram, schepen van Alphen, oom en voogd van 's moederszijde over de vier onmondige kinderen van eerst genoemd echtpaar, vervangen Cors Cornelisz Cop, de grootvader, ter andere zijde. Deling der vaderlijke nalatenschap. Geertge Cornelisdr Ram behoudt een woning en 8 1/2 morgen land in 't Rietveld van Hazerswoude, strekkend uit de Nieuwe Vaart tot het land van Anthonis Jansz Groos, bode te Boskoop c.s., belend ten oosten de Compierekade, ten westen Jan Ariensz Ruijtenburch. Nog de helft van 2 morgen land in de Nesse te Alphen, strekkend van het land van Ari Claesz tot dat van Willem Sijmonsz Boer, belend ten oosten 1 morgen, die de kinderen voorn. zijn toebedeeld, ten westen Pieter Gerritsz Haen. De 4 weeskinderen verkrijgen een huis en erf buiten de Zuidzijde van Alphen tussen de Hoge Rijndijk en de Rijn, belend ten zuiden Ari Mouringhsz van Thol, ten noorden Geerit Pietersz van der Sluijs. Nog 4 morgen land in Alpherhoorn, strekkend uit de Rijn tot het land van Pieter Willemsz Maes, belend ten oosten de weduwe van Jan Dircxsz de Knechts c.s. als bruiker. Nog de helft van de voorn. 2 morgen, belend ten oosten Gerrit Pietersz van der Sluijs.
Toegangsnummer:
112.1.02 Archief van het gerecht van Alphen, 1582-1811
Inventarisnummer:
17
Pagina:
36v


Alphen, 15-05-1656
Aktedatum:
15-05-1656
Akteplaats:
Alphen
Inhoud:
Geertgen Cornelisz Ram, weduwe van Cornelis Corsz Cop, met Jan Cornelisz Ram als broer en voogd, verkoopt Gerrit Cornelisz van Groos 3 morgen 3 1/2 hond land in de Nesse onder Alphen, strekkend uit de Spijkerboorwetering tot de landen van Gerrit Cornelisz van Groos, Willem Sijmonsz Boer en Thonis Claesz, belend ten oosten Claes Claesz Vranck met 's Gravenakker, ten westen Thonis Dircksz Verhoorn. Van Groos neemt hierbij mede over de schuld aan Cornelis Gijsbertsz Verhoorn, schoolmeester te Voorschoten. Koopsom 300 gulden.
Toegangsnummer:
112.1.02 Archief van het gerecht van Alphen, 1582-1811
Inventarisnummer:
17
Pagina:
18
 
COP, Cornelis Cors (I6448)
 
19
Godfried III, bijgenaamd de Moedige en de Hertog in de Wieg (ca. 1140 — 21 augustus 1190) was van 1142 tot aan zijn dood in 1190 landgraaf van Brabant, graaf van Leuven, markgraaf van Antwerpen en voogd van Gembloers, Nijvel en Affligem. Tevens was hij hertog van Neder-Lotharingen (als Godfried VII).

Levensloop
Godfried volgde zijn vader Godfried II van Leuven op zeer jonge leeftijd op (vanwaar de bijnaam Dux in cunis, "de hertog in de wieg"), onder regentschap van zijn moeder Lutgardis van Sulzbach. Voor het geslacht Berthout was dit aanleiding om meer onafhankelijkheid te zoeken (Grimbergse Oorlogen). In 1147 was Godfried in Aken aanwezig bij de kroning van Hendrik Berengarius tot medekoning van Duitsland. In 1153 bezocht hij het keizerlijke hof.

Godfried trouwde in 1155 met Margaretha van Limburg om het langdurige conflict van zijn vader en grootvader met het Huis van Limburg te beëindigen. In 1159 liet hij de motte van Grimbergen afbranden en beëindigde daarmee een periode van twintig jaar opstand door het Huis Berthout. Hij verwierf het voogdijschap van Tongerlo en de graafschappen Aarschot (vóór 1179), Geldenaken (1184) en Duras (1189). Op rijksniveau steunde Godfried keizer Frederik I van Hohenstaufen met troepen voor zijn Italiaanse campagnes. Verder hield hij zich vooral bezig met het versterken van zijn rol als hertog van Neder-Lotharingen. Zo steunde hij in 1166 de Vlaamse expeditie tegen Floris III van Holland die inbreuk had gemaakt op de Vlaamse rechten. In 1172 moest hij echter een gevoelige nederlaag incasseren tegen Boudewijn V van Henegouwen. Godfried bevorderde de ontwikkeling van steden en gaf stadsrechten aan 's-Hertogenbosch.

Van 1182 tot 1184 bezocht Godfried Jeruzalem. Hij onderscheidde zich bij de verdediging van de stad tegen Saladin (1183/1184). Als eerbetoon daarvoor werd Godfrieds zoon, Hendrik I van Brabant, door keizer Frederik I in het landgraafschap Brabant tot hertog verheven. Godfried en Margaretha zijn begraven in de Sint-Pieterskerk (Leuven).

Godfried en Margaretha kregen de volgende kinderen:

Hendrik I van Brabant, opvolger van zijn vader
Albert van Leuven, bisschop van Luik en heilige
Na de dood van Margaretha in 1172, hertrouwde Godfried in 1180 met Imagina van Loon. Zij kregen de volgende kinderen:

Willem (ovl. na 1 augustus 1224), heer van Perwijs en Ruisbroek (Vlaams-Brabant). Gehuwd met Maria van Orbais, ze kregen zeven kinderen.
Godfried (ovl. ca. 1225), trok in 1196 naar Engeland en trouwde met 1199 met Alice van Hastings, weduwe van Ralph van Cornhill en erfdochter van Robert van Hastings en Mathilde van Flamville. Godfried bezat het kasteel van Eye (Suffolk) en had bezittingen bij Eye, in Buckinghamshire en in Essex (graafschap). Het Engelse geslacht de Lovaine stamt van hem af.
Na zijn dood trad zijn weduwe Imagina in het klooster. Zij werd nog vóór 1203 abdis van de abdij van Munsterbilzen. 
VAN LEUVEN, Godfried III (I12811)
 
20
Hendrik Frenks Voornaam: Hendrik Achternaam: Frenks Beroep: Dagloner Geboortejaar: 21-06-1752 Rol: Inwoner Datum: 1812 Jaar: 1812 Plaats: Middelburg Gemeente: Middelburg Bron: Archief Prefectuur inv.nr 58, volgnummer 3811 
FRENKS, Hendrik (I1539)
 
21
Jan Theunisz Baeck woonde met zijn gezin in de Keizerstraat.

Een Jan Theunisz van de Houck werd begraven op 4-09-1680 Scheveningen.

Jan Theunis Baeck wordt vermeldt als Visser in Familiegeld Haagambacht en Scheveningen 1677-1680


Een Jan Theunisse werd begraven op 28-08-1707 Scheveningen uit het Gasthuis

 
BAECK, Jan Theunisz (Anthonisz) (I5363)
 
22
Latran, bulle du pape Innocent III adressée à l'archevêque de Reims et à ses suffragants, touchant l'excommunication de Bouchard d'Avesnes pour son mariage illicite avec Marguerite de Flandre (dite de Constantinople). 15 janvier 1216.

Marguerite (de Constantinople), sœur de la comtesse de Flandre et de Hainaut, déclare que c'est avec son assentiment que Bouchard d'Avesnes, son mari, a donné en fief à Th(ierry) de Houffalize 60 livres de blancs, à prendre sur son vinage d'Avesnes. 1222. 
VAN AVESNES, Burchard (I12789)
 
23
Notariële akte 317 boedelscheiding 05-apr-1649
Datering:05-apr-1649
Aktesoort:boedelscheiding
Notaris:
Jacobus Delphius
Standplaats:Rotterdam
Inhoud: De akte is gedateerd 05-04-1650
Arijen Cornelisz Huijser, man van Neeltgen Pieters de Raet, Leendert Witte, man van Hadewia Pieters de Raet, Gillis Heindericx van Gameren, man van Arijaentgen Pieters de Raed, Arijaen Pieters Rhonaer en Pieter Gerrits Velsenaer, gemachtigd door Jan Pieters de Raet, volgens de machtiging verleden voor notaris Vitus Mistelius, en Cornelia Dircx Vermeij, vrouw van Jan Pieters de Raet, allen kinderen en erfgenamen van Pieter Jans de Raedt za., wonend te Rhoon, verklaren dat er zich in de boedel diverse stukken land bevinden nl:
-een perceel van 8 gemeten en 140 roeden tegenover de woning, ten
noorden belend door Maerten Pieters de Raedt en ten door zuiden
burgemeester Hartichsvelt
-een stuk in Boudewijn Harslant van 6 gemeten, ten noorden belend door
Coenraet Hollaer en ten zuiden de Waelcamp, met een stuk in het
Oudelant van Poortugael, ten westen belend door Cornelis Jans de Raed
en ten oosten door Jan Pieters de Raet
-een perceel van 5 gemeten en 100 roeden bij de Malle Heul, ten noorden
door Basteaen Wouters belend en ten zuiden door dijckgraeff Hollaer
-een perceel van 4 gemeten en 200 roeden in Swaerdijck, ten oosten door
Pieter Leenders belend en ten westen door Feuis Meesz
-een perceel genaamd 'Jonge Weijde' bij de Malle Heul, groot 5 gemeten,
ten oosten belend door Arijen Spruijt en ten westen door Jan Cornelisz
Paeter, met een perceel in Cort Ambercht, ten zuiden belend door
Cornelis Loosip en ten noorden Aert Cornelisz Vermaet.
Zij besluiten bij blinde loting de percelen te verkavelen 
de Raet, Pieter Jans (I14772)
 
24
Testament van Anna Groesbeek gehuwd met Kornelis Gerardus de Graaff boekhandelaar wonende Brielle. Zij herroept alle voorgaande testamenten en benoemt tot enig erfgenaam en uitvoerder van haar uiterste wil haar genoemde man. Aktedatum: 12/01/1849
 
GROESBEEK, Anna (I1500)
 
25
Willem Burgertsz heeft een eeuwige memorie gevestigd , met Lijsbet Pier Sueten dochter gemeen, op "een gemet lants in Keethuich (=Keethoek) in 't waterschip ende is aengelant Doen Beijez aen de westzijde ende die broers van 's-Gravezande (het Regulierenconvent te 's-Gravenzande) achter aen de suyt-westzijde; mit een achtendeel taruwen broots den armen te
blijven ende 1 pont was de kercke". De momorie zal doen zijn vrouw Geertruyt.
 
van Gaesbeeck, Willem Burgerts (I17789)
 
26 (Neder-Lotharingen) (de Gevangene) van Verdun, Godfried (I18368)
 
27 10 decembre 1459
Joos Decooman en Andries Depotghietere als voogden van Jooskinne Vanthuenebrouc fs Zeghers stellen huer procureurs te Gent Wouter Denisse,.Vandenbussche, Oste Debonte Jacoppe Vandensteenkist
 
TEUNENBROEK, Jooskine Bastaard (I15940)
 
28 Agnes van Looz en Rieneck VAN LOON, Agnes (I13495)
 
29 Akten van huwelijkse voorwaarden en testament van Henrick Duijst van Voorhout, gehuwd met Agatha Cornelisdr. Breeman, neef en voogd van Volckera, 1612, 1625, 1612 - 1625 2 stukken (Stadsarchief Delft) BREEMAN, Agatha Cornelis (I18755)
 
30 Albert van Moha van Egisheim, Adalbert II (I22320)
 
31 Annetie Jacobs weduwe van Gijsbert Verstraten oude vrou uijt het oude vrouwenhuijs op het Kerkhof van de arme.
Oude Kerk Delft 
MOM, Anna (Anneken) Jacobs (I2618)
 
32 Anthonie Ruijs en Vos, Trijntje. Gedoopt in de Noorderkerk Amsterdam VAN REENEN, Bartholomeus (I3060)
 
33 Cornelis Cornelis Wassenaar wordt vermeldt met Jannetje Cornelis Brelofsbergen in Protocollen en Registers en Opdrachten Noordwijk 16-01-1693 Leendert Cornelis Brelofsbergen en Crijntie Cornelis Brelofsbergen met Cornelis Gerrits van der Bijl en Mees Cornelis Brelofsbergen alle erfgenamen van Cornelis Mees Brelofsbergen WASSENAAR, Cornelis Cornelis (I4370)
 
34 Everard De Medici of Bicci de' Medici, Averardo (I22967)
 
35 Findece Finchada (I21734)
 
36 Gerard IV Flamens, de Lange van Gelre, Gerard I (I19130)
 
37 Getuige: Cornelia Leijns BOONE, Matie (I473)
 
38 Getuige: Cornelis Wisse Adriaentje Leijns WISSE, Cathelyntje (I4535)
 
39 Getuige: Gerrit Wisse Neeltge Jacob  WISSE, Jacob Adriaansen (I4529)
 
40 Getuige: Gillis Andriessen  GILLISE, Lauwreys (I1390)
 
41 Getuige: Lauris Geertssen Wisse Janneken Stuijvesants Maetje Cornelissen  WISSE, Cathelijntje (I4534)
 
42 Getuige: Maetje Cornelisen WISSE, Wisse Adriaansen (I4532)
 
43 Getuige: Maetje Floris Jan Pieterssen  WISSE, Pieter Adriaansen (I4530)
 
44 Getuige: Willemijne Jans  CRAIJE, Jannetje Cornelis (I882)
 
45 Gisbert van Sulen Anholt was stamvader van alle takken Van Zuylen [waar onder; van Abcoude / Nyevelt / Amerongen van Sulen Anholt, Gisbert I (I17634)
 
46 Heiligewegs- en Leidsche Kerkhof Saris, Alida (I23120)
 
47 Ludolf van Waldenberg of Liudolf het Kind van Lotharingen (Brauweiler), Luidolf (I19328)
 
48 Raso de Mettecoven Vuytenbroecke, Raes (I18570)
 
49 vader van Harald die rijk geworden was door plundertochten, en koning van Noorwegen wilde worden. Hij was een van de moordenaars van Harald II van Noorwegen maar werd kort daarna vermoord door Håkon Sigurdsson; DE OUDE, Knut (I17615)
 
50 Vader: Arjaen Wisse Opmerking: De schout Moeder:N.N. WISSE, N.N. (I4536)
 

      1 2 3 4 5 ... 236» Volgende»


Deze site werd aangemaakt door The Next Generation of Genealogy Sitebuilding v. 13.0.1, geschreven door Darrin Lythgoe © 2001-2022.

Gegevens onderhouden door Vink.

Flag Counter